Leven in een compound: meterslange muren om je huis

 De compound, een plek met een meterslange muur eromheen voor expats die tijdelijk in het buitenland verblijven, bestaat al jaren. Maar hoe is het wonen in zo’n compound en is er verschil met leven tussen de lokale bevolking?

Ellen Poolman woont de komende twee jaar tussen Cambodjanen, Winny van Putten leefde met haar gezin veertien jaar geleden in een luxe compound in Saudi-Arabië en twintiger Djoen Besselink werkte in Zuid-Sudan voor Artsen zonder Grenzen en woonde in een ommuurd huis in Malakal. Buiten Nederland sprak met hen.

Winny van Putten woonde veertien jaar geleden met haar man Han en kinderen Kathinka (26) en Bart (22) voor een jaar in een compound voor expatgezinnen in Dammam (Saudi-Arabië). Zij en Bart vertellen over hun ervaringen.

,,We waren net twee jaar terug in Nederland, toen een wagen vol explosieven

compound
Compound ‘Canary’ in Damman, Saudi-Arabië. Han van Putten leefde hier een half jaar voordat zijn gezin naar het land verhuisde. Zij woonden een jaar op compound ‘Al Nada’, ook in Damman

binnenreed bij een compound in de buurt van de onze. Dit bleek een aanval te zijn door Arabieren die geen buitenlanders duldden in hun land”, vertelt Winny. ,,Een aantal kennissen waar we nog contact mee hadden, raakte gewond. Buitenlanders werden dus niet voor niets in een compound geplaatst. De veiligheid speelde een belangrijke rol.” Zelf heeft ze weinig gemerkt van de onveiligheid in Saudi-Arabië, al geeft ze toe dat ze zich niet altijd prettig voelde in het land.,,Vrouwen werden en worden in het land als minderwaardig gezien”, vertelt ze. ,,Als je buiten de compound komt, voel je dat mannen naar je kijken. Onze dochter werd daar onzeker van en toen realiseerde ik me dat één jaar in Saudi-Arabië lang genoeg was.”

Winny kwam zelf ook in aanraking met de onvriendelijkheid tegenover vrouwen. ,,We mochten niet fietsen, geen auto besturen en moesten lange kleding aan. In het begin was dit voor mij een enorme cultuurshock, maar ik raakte eraan gewend.” Wel werd Winny af en toe opstandig door alle regels waaraan ze zich moest houden. ,,Ik herinner me nog een feestje op een andere compound. Alcohol drinken was verboden, maar de inwoners hadden zelf wijn gemaakt. Ik had niets gedronken, maar de mannen wel, terwijl zij naar huis moesten rijden. Toen gaf ik aan dat ik wel naar huis zou rijden. Dat was niet toegestaan, maar ik dacht: ‘ik zet een pet op, dan komt het wel goed.’” Winny kwam veilig aan bij hun huis en toen ze zich meldde bij de cipier van de compound, een man van Fillipijnse afkomst, moest hij lachen. ,,Maar mijn man is hier later wel op aangesproken. Er werd hem verteld dat er strenge straffen op stonden, zoals uitzetting of lijfstraffen. Dat was schrikken. Nu is het vooral een leuk verhaal om te vertellen.”

Het gezin Van Putten kwam in Saudi-Arabië terecht doordat Han van Putten veertien jaar geleden voor het ICT-bedrijf Origin twee jaar aan de slag ging bij het oliebedrijf Aramco in Saudi-Arabië. Zijn gezin kwam voor een jaar over. ,,Ik vond het een geweldig idee”, aldus Winny. ,,We kregen de kans om kennis te maken met een andere cultuur. Dit vond ik ook waardevol voor de kinderen, omdat zij met eigen ogen konden zien dat mensen op verschillende manieren leven.”

Het gezin ging wonen op compound Al Nada, een afgesloten dorp dat al zo’n vijftien jaar bestond en waar zo’n vierhonderd inwoners met verschillende nationaliteiten woonden, zoals Amerikaans, Zweeds, Brits, Jordanees en Nederlands. Winny noemt hun leefomgeving  ’een ommuurd bungalowpark’ en geeft aan dat het daar erg luxe was. Zo was er een zwembad, tennisbaan, bibliotheek, recreatiecentrum, restaurant en fitnesscentrum. Ook de ‘bungalows’ waren ruim. Bart: ,, Ons huis was langwerpig, want alles bevond zich op de begane grond. We hadden daar alles: verschillende slaapkamers, een keuken, koelkast, fornuis en veel airconditioning, want de temperatuur kwam iedere dag boven de veertig graden uit.” Winny geeft aan dat ze ook niet voor het huishouden hoefde te zorgen. ,,Een man uit India maakte schoon en ik hoefde niet te helpen, want hij had het geld hard nodig voor de bouw van een huis voor zijn gezin. Ieder uurtje telde voor hem.”

Bart en zijn zus gingen iedere dag met een bus naar een Amerikaanse school buiten de compound en kwam ‘s middags weer thuis. ,,Dan maakte ik wat huiswerk of ik ging spelen met vrienden. Ik vond het niet vreemd om in een afgesloten gebied te wonen, want mijn hele leven speelde daar af”, aldus Bart.  Zijn moeder had meer moeite met het leven in Saudi-Arabië. ,,De kinderen voelden zich na een paar maanden als een vis in het water. Ik ging me op gegeven moment toch wel vervelen, al kon je er sporten en veel cursussen volgen. Ook was er veel kliekjesvorming in de compound en dat vond ik wel jammer”, vertelt Winny. Aan de weekenden heeft ze goede herinneringen. ,,Dan gingen we met een aantal gezinnen van de compound in een stoet van tien auto’s door de woestijn of richting Bahrein.

Bart heeft goede herinneringen aan het verblijf in Saudi-Arabië: ,,Als ik later een tijdelijke baan krijg in het buitenland en ik zou daar met mijn gezin heen moeten, dan zou ik dat wel doen. Je moet natuurlijk de voordelen afwegen tegen de nadelen, maar kinderen wennen snel aan een nieuwe omgeving. Ik vond het een bijzondere tijd en wil nog wel eens terug naar Saudi-Arabië. Puur om herinneringen op te halen.”

Djoen Besselink (27) studeerde sociale psychologie en international humanitarian action. Hij werkt voor de medische noodhulporganisatie Artsen zonder Grenzen (AzG) en was van december 2011 tot mei 2012 in Zuid-Sudan. Besselink heeft eerder gewoond in onder andere Liberia, Tsjaad en Ethiopië.

Djoen Besselink
Djoen Besselink

,,In Zuid-Sudan breekt gemiddeld om de drie jaar een kala-azar epidemie uit. Als patiënten niet worden behandeld, hebben ze grote kans te overlijden. Deze ziekte, ook wel ‘zwarte koorts’ genoemd, wordt overgebracht door de zandvlieg. Artsen zonder Grenzen ondersteunde de lokale bevolking met training, medisch materiaal en technische hulp. Een jaar nadat het project van AzG startte, was de uitbraak onder controle en was het aantal patiënten flink afgenomen. Ik en mijn team hadden de taak om het project af te ronden en over te dragen aan de overheid. Daar komt veel bij kijken. Ten eerste zien de mensen in Zuid-Sudan ons liever niet vertrekken. Het lokale personeel dat aan het project werkt, is bang zijn baan te verliezen en mensen denken dat ze nergens terecht kunnen als er opnieuw kala-azar wordt geconstateerd.
Ik was verantwoordelijk voor de logistiek en het lokale personeel en werkte samen met bijzondere mensen. In mijn team was ik de enige Nederlander. Daarnaast werkten er mensen uit Congo, Kenia, Duitsland en Turkmenistan. Je woont in één huis. Dat kan druk zijn, maar als iemand behoefte had aan rust, dan werd dat gerespecteerd.

Een gemiddelde werkdag startte met een ochtendbespreking. Hier bespraken we de veiligheid in het gebied en of iemand nog geruchten had gehoord over gebeurtenissen in Zuid-Sudan, zodat we zo goed mogelijk op de hoogte waren van wat er speelde. Verder was geen werkdag hetzelfde. De ene dag zorgde ik ervoor dat geïmporteerde goederen, zoals medicatie, vanuit het vliegtuig werden vervoerd naar ziekenhuizen in het gebied. Daarnaast was ik het eerste aanspreekpunt voor de lokale werknemers. Ik zorgde bijvoorbeeld voor de salarissen en vakantieroosters. We konden geen nieuwe banen voor de mensen zoeken, maar we probeerden ze wel een handje helpen. Zo verzamelde ik de cv’s van de lokale werknemers. Die bundelde ik in een boekje en bracht die naar andere hulporganisaties.

Ik woonde met mijn collega’s in de binnenstad van het dorpje Malakal. Dit was één van de weinige dorpen in het gebied waar van alles te koop was, zoals voedsel, waardoor er naast AzG meerdere hulporganisaties in het dorpje huisden zoals Save the Children, stichting CARE en Oxfam Novib. De ene organisatie hield zich bezig met voedselhulp, een andere richtte zich weer op de bestrijding van ziektes. Dit wordt vooraf afgesproken, zodat je voorkomt dat bepaalde hulpprojecten dubbel worden gedaan. Om ons huis stonden vier muren waar je niet overheen kon kijken. Naast het woongedeelte stond een andere compound; dat was ons kantoor. Er was een steegje tussen beide compounds, zodat wij niet buiten om naar het werk hoefden. We hadden ook lokale beveiligers die 24 uur per dag een oogje in het zeil hielden, maar zij waren ongewapend. Het dorpje lag midden in oorlogsgebied, maar wij kunnen tussen de mensen leven door naar alle partijen toe duidelijk te communiceren dat we gratis medische noodhulp bieden en onpartijdig zijn. Daarnaast boden de muren ook bescherming tegen diefstal. Net zoals er om een villa in Groningen een groot hek kan staan.

Ik houd er niet van om hele dag tussen vier muren te werken, dus ik kwam regelmatig buiten de deur. Ik moest wel altijd aan iemand laten weten waar ik naartoe ging. Ook nam ik een radio mee om te kunnen communiceren als er iets zou gebeuren. Aan deze veiligheidsafspraken moesten we ons allemaal houden. Ook is er een avondklok om 21.00 uur. Ik heb me nooit onveilig gevoeld in Zuid-Sudan. Wel hoorde je af en toe schoten en explosies. Maar door het veiligheidsbeleid van AzG en de veiligheidsupdate die de Verenigde Naties wekelijks geven, weet je op welke plekken je wel en niet moet komen. Daarnaast plakten we stickers met ons logo op de muren bij onze compound, zodat de bevolking zag dat we van AzG waren en geen wapens hadden. Ook plakten we stickers met ‘ no weapens’  op de compound om aan te geven dat patiënten geen wapens mee naar binnen mogen nemen. Zo identificeerden we ons naar de Zuid-Sudaneze bevolking toe. Het contact met de Zuid-Sudanezen was goed.

Compound
Ochtendvergadering met het lokale personeel

Iedereen sprak Engels en ze wisten dat we daar waren om hen te helpen.  De compound is dus ook een vorm van identificatie. Ook zijn de muren praktisch, want er willen nog wel een koeien door het dorpje lopen. Zo komen ze niet in onze tuin terecht. Veel Zuid-Sudanezen hebben ook muren om hun huis staan. In Tsjaad, waar ik een tijd heb gewoond, zie je bijna alleen maar muur.

Op dit moment ben ik een dikke maand terug in Nederland en vind het heerlijk om door

Amsterdam te fietsen en koffie te drinken met vrienden en familie. Maar ik vind het nooit erg om weer voor langere tijd naar het buitenland te gaan. Je kunt tegenwoordig goed contact houden met iedereen. Ik stond ooit midden in de jungle toen mijn moeder belde.”

Ellen Poolman (26) vertrok in april naar Cambodja en werkt daar nu voor 2 jaar als voedingsadviseuse. Ze woont tussen de lokale bevolking in Samraong, de hoofdstad van de provincie Oddar Mean Chey.

,,Het was mijn wens tussen de lokale bevolking te wonen, maar in dit gebied was er ook geen andere mogelijkheid. In Samraong is afgezien van mij nog één westerse te vinden. We wonen tien minuten bij elkaar vandaan en drinken wekelijks een biertje in een park.

Via Voluntary Service Overseas (VSO) ben ik uitgezonden naar Cambodja. Deze ontwikkelingsorganisatie probeert armoede en onrecht te bestrijden met kennis en ervaring van vakdeskundigen. Ik ben afgestudeerd als diëtist en werk in Cambodja bij het Provincial Health Department (PHD). Daar ondersteun en adviseer ik het hoofd van de afdeling diëtiek. Daarnaast werk ik ook aan projecten over voedingszorg voor kinderen, toekomstige moeders en vrouwen in het veld. Zo geef ik trainingen aan PHD-werknemers en ik werk in de twee ziekenhuizen en negentien gezondheidscentra van de provincie.

Samraong wordt ook wel het ‘vijf minutendorp’ genoemd, omdat je op de motor, het meest gebruikte vervoersmiddel in Cambodja, binnen vijf minuten door de stad heen bent. Het gebied is onderverdeeld in ‘dorpen’ (ter grootte van een wijk in Nederland) met ieder een eigen dorpshoofd.

Het huis dat ik daar huur is royaal: ik heb een betonnen benedenverdieping met een slaapkamer en grote woonruimte, inclusief keuken met ‘campingkookstel’, een hurktoilet en doucheruimte met waterreservoir waar regenwater in terechtkomt.

Ik doe mijn boodschappen en het huishouden zelf. Er is een markt waar verse producten zoals groente, fruit, eieren, vlees en vis verkrijgbaar zijn. Ik kook vaak een uitgebreide lunch die uit groente, rijst, peulvruchten of eieren bestaat. Westerse producten zijn verkrijgbaar in Siem Reap, een stadje op twee uur rijden. Mijn was wordt tegen betaling door mijn landlady gedaan. Zij vindt het fijn om wat extra’s te verdienen en ik vind het heerlijk om niet zelf mijn knokkels kapot te wassen.
De familie van wie ik het huis huur bestaat uit een vader, moeder (de landlady), zoon (11) en dochter (5). Zij wonen in een houten huisje dat achter mijn onderkomen staat. De vrouw spreekt alleen Khmer, de taal die in Cambodja wordt gesproken. Ik spreek de taal nog beperkt, waardoor we veel tijd nemen elkaar te begrijpen. Ook leert ze mij nieuwe woorden. In het begin was de communicatie met anderen erg moeizaam en soms zelfs frustrerend.  Maar ik ben nu een paar maanden in Cambodja en voel me steeds meer thuis. Hoe meer ik de taal beheers, hoe fijner het is tussen de lokale mensen te wonen.

Sociale contacten met de ‘locals’ zijn echter beperkt door de taalbarrière en het gebrek aan vrije tijd. Ik had verwacht meer contact te hebben met de bevolking. Iedereen is geïnteresseerd in elkaar, staan klaar voor elkaar en steunen elkaar. Maar na lange werkdagen gaat iedereen naar huis om voor de familie te zorgen of om naar hun volgende baantje te gaan. Tussen 18.30 en 19.00 uur wordt het donker en ondanks dat vrijwel iedereen elektriciteit heeft, is er weinig tot geen bedrijvigheid meer in Samraong. In een park in de stad is er ‘s avonds nog wel wat te doen. Mensen gaan daar naartoe om te eten, te drinken of met kinderen te spelen. Een viertal vrouwen bouwt een standje op met fruit, gefrituurde sprinkhanen, gebraden kip, noodles, frisdrank en bier. Rond 20.00 uur wordt het weer rustig in het park. Ook ga ik af en toe naar een stad ga op twee uur rijden. Enerzijds voor de lessen Khmer en anderzijds om daar meer sociale contacten op te doen.”

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *