De tulband van Rembrandt: exotisme in de Nederlandse historieschilderkunst

Op Jan van Scorel’s De intocht van Christus in Jeruzalem (c. 1520-1525) zien we op de achtergrond een realistische weergave van het 16-eeuwse Jeruzalem.

Denken we aan de Nederlandse schilderkunst van de zestiende en zeventiende eeuw dan maakt algauw een gevoel van nationale trots zich van ons meester. Terecht? Niets is unieker dan de vrouwen geschilderd door Vermeer en de wolkenluchten van Ruysdael. Maar wat daarbij over het hoofd wordt gezien, is dat de schilderkunst van de Gouden Eeuw juist sterk buitenlands georiënteerd was. Dit blijkt eens te meer uit recent kunsthistorisch onderzoek uitgevoerd door Buiten Nederland.

Waarschijnlijk is er in de Nederlandse schilderkunst geen revolutionairder kunstenaar geweest dan Rembrandt. Of het nu gaat om de jonge meester die de in zijn tijd overbekende scènes uit de Bijbel intiem en persoonlijk wist te maken of om de oude Rembrandt die met grove penseelstreken zo teder het gezicht van zijn zoon Titus schilderde. Maar behalve revolutionair moet begrepen worden dat Rembrandt schatplichtig is aan de Nederlandse schilders voor hem.

In het bijzonder aan Jan van Scorel die als een van de eerste Nederlandse schilders begin zestiende eeuw naar Italië trok. In Rome zag hij de meesterwerken van Da Vinci, Rafael en Michelangelo. De voor die tijd ongekend realistische lichamen in laatstgenoemde zijn Sixtijnse Kapel-fresco’s zetten een nieuwe standaard neer waar Nederlandse schilders voortaan ook naar streefden. Zodoende ontstaat er dus een link tussen Michelangelo’s gespierde Adam en het tedere gezicht van Rembrandts Titus.

Nu staat Rembrandt ook bekend om zijn virtuoos gebruik van eigentijdse, exotische kleding. Om bijvoorbeeld de Oosterse afkomst van de Bijbelse koning David te benadrukken schilderde Rembrandt hem in zijn schilderij De verzoening van David en Absalom (1642) met een tulband die de schilder waarschijnlijk gezien had op de Amsterdamse markt. In de zeventiende eeuw was Amsterdam uitgegroeid tot een internationale metropool waar ook Arabische handelaren vertoefden.

De tot de verbeelding sprekende manier waarop Rembrandt de exotische kleding gebruikte voor zijn schilderijen, was revolutionair. Tegelijkertijd is het gebruik van exotische kleding an sich een schilderstraditie die al was ingezet door Nederlandse schilders uit de zestiende eeuw. Het recente kunsthistorisch onderzoek van Buiten Nederland maakt meer duidelijk over deze exotische invloeden binnen de Nederlandse historieschilderkunst van de zestiende eeuw. Met historieschilderkunst wordt bedoeld het genre dat zich bezighoudt met het uitbeelden van klassieke, Bijbelse of eigentijdse verhalen.

Met de Verzoening van David en Absalom (1642) geschilderd door Rembrandt. Door de kleding van koning David en het kromzwaard van Absalom benadrukt de schilder de Oosterse afkomst van zijn figuren.
Met De verzoening van David en Absalom (1642) benadrukt Rembrandt door de kleding van koning David en het kromzwaard van Absalom de Oosterse afkomst van zijn figuren.

Van Istanbul tot Tunis: Nederlandse schilders die pionieren

Er waren aan het begin van de zestiende eeuw Nederlandse schilders die het verder zochten dan Italië. Jan van Scorel trok vanuit Rome bijvoorbeeld door naar Jeruzalem. Op zijn bekende schilderij  De intocht van Christus in Jeruzalem (c. 1520- 1525) is op de achtergrond een realistische weergave te zien van de Heilige Stad zoals die er toentertijd bij lag. Te herkennen zijn onder meer de Rotskoepel, de Al-Aqsamoskee en het grote Tempelplein.

Ook op het schilderij De Kruisdraging (1517-1550) van Pieter Coecke van Aelst valt de stad Jeruzalem te herkennen zoals deze voorkwam in zestiende-eeuwse pelgrimsverslagen. In de zestiende eeuw werden in de Nederlanden de trektochten naar Jeruzalem zeer populair. Vervolgens maakte men bij thuiskomst gedetailleerde verslagen van deze reizen. De afbeeldingen van de Heilige Stad in deze verslagen vormde voor Van Aelst zeer waarschijnlijk de basis voor zijn schilderij. Voor zover bekend is de schilder, in tegenstelling tot Van Scorel, nooit zelf in Jeruzalem geweest.

Wel ondernam Van Aelst in 1533 een reis naar Istanbul om hier te proberen tapijtontwerpen te verkopen aan de Ottomaanse sultan Süleyman. Dit plan mislukte maar Van Aelst maakte wel een prentenserie die op gedetailleerde wijze de Ottomaanse cultuur toont: van de viering van de Ramadan tot de intocht van de sultan in Istanboel. Dit was een voor zijn tijd unieke prentenserie omdat er weinig visuele documenten waren over de Ottomanen. Bovendien was op het moment van de prentenserie het Ottomaanse rijk de grote vijand van het christelijke Europa. In 1529 stonden de Ottomaanse soldaten nog voor de poorten van Wenen.

Behalve Van Aelst en Van Scorel moet nog een derde zestiende-eeuwse schilder uit de Noordelijke Nederlanden worden genoemd die pionierde als kosmopolitisch kunstenaar. De rond 1500 in Beverwijk geboren schilder Jan Cornelisz. Vermeyen zou veel van de wereld zien. Dit omdat Vermeyen als schilder verbonden raakte aan het hof van keizer Karel V en diens wereldrijk dat zich uitstrekte van Mexico tot aan de Filipijnen.  In 1535 komt Vermeyen als hofschilder in Tunesië terecht. Als oorlogscorrespondent avant la lettre doet hij al tekenend verslag van Karel V zijn oorlog tegen de Ottomaanse admiraal Barbossa (beter bekend als ‘Roodbaard’).

De schetsen leiden elf jaar later tot de productie van de wandtapijten-serie de Verovering van Tunesië: een verzameling van twaalf kolossale tapijten (ongeveer vijf bij negen meter) die Karel V’s overwinning op Barbossa en dus op het Ottomaanse Rijk propageren. De tapijten kenmerken zich door een realistische weergave wat betreft topografie en etnografie. Verschillende Afrikaanse volkeren (bijvoorbeeld de Moren of Berbers) vallen als zodanig te herkennen en de weergave van hun kleding is authentiek te noemen. Rembrandt was dus zeker niet de eerste wat betreft het schilderen van exotische kleding.

Op Jan van Scorel’s De intocht van Christus in Jeruzalem (c. 1520-1525) zien we op de achtergrond een realistische weergave van het 16-eeuwse Jeruzalem.
Op Jan van Scorel zijn schilderij De intocht van Christus in Jeruzalem (c. 1520-1525) zien we in de verte op de achtergrond Jeruzalem. Deze weergave van Jeruzalem is zoals de Heilige Stad er toentertijd in zestiende eeuw moet hebben uitgezien.

Een kameel verdwaald in het loofbos

Bovengenoemde zestiende-eeuwse schilders zijn misschien wel de bekendste pioniers wanneer het aankomt op exotische schilderkunst. Maar zij zijn niet de enigen geweest. Uit het Buiten Nederland-onderzoek blijkt dat onder de bekendste historieschilderijen geproduceerd door Nederlandse schilders in de periode 1520-1550 in afgebeelde thema’s als architectuur, flora en fauna en kleding exotische elementen doorsijpelen.

Hierbij moet wel worden aangemerkt dat deze elementen nooit de boventoon voerden en hooguit vermengd werden met de Europese visuele cultuur. Wat betreft de flora en fauna duikt er heel soms bijvoorbeeld een kameel op maar over het algemeen domineren Noord-Europese loofbossen met bijbehorende dieren de schilderijen. Bij Adriaen Isenbrants Scènes uit het leven van de Maagd (na 1521) treedt een opmerkelijke vermenging op. Dat het onderwerp van het hoofdpaneel van dit altaarstuk is de geboorte van Christus, wordt meteen duidelijk door de os en de ezel die naast de kribbe staan met daarin het kindje Jezus. Dat deze gebeurtenis zich in Bethlehem afspeelt, valt echter niet op te maken uit de loofbomen en Noord-Europese huizen op de achtergrond.

Bij Adriaen Isenbrants Scènes uit het leven van de Maagd (na 1521) bevindt de kribbe met Christus zich onder het dak van een Romeinse tempel in plaats van dat zij in een boerenstal staat. Daarnaast zijn op de achtergrond loofbomen en Noord-Europese huizen te zien.
Bij Isenbrants  Scènes uit het leven van de Maagd (na 1521) bevindt Christus’ kribbe zich onder in een Romeinse tempel in plaats van dat zij in een boerenstal staat. Daarnaast zijn op de achtergrond loofbomen en Noord-Europese huizen te zien.

Bij Isenbrants’ schilderij valt ook direct op dat de kribbe zich niet bevindt in een boerenstal maar moet staan, te oordelen aan de Korinthische zuilen, onder het dak van een Romeinse tempel. In de zestiende-eeuwse, Nederlandse historieschilderijen domineert de klassieke Grieks-Romeinse architectuur. De weergave van de stad Jeruzalem vormt hierop de uitzondering aangezien zij de enige Oosterse stad is die regelmatig op realistische wijze voorkomt op de Nederlandse schilderijen. In Quinten Massijs’ schilderij De Kruisiging (c. 1520) zien we de Rotskoepelmoskee maar daarnaast staat een rechthoekig gebouw met belforttoren die doet denken aan een Vlaams stadhuis.

Voor de kleding weergegeven op de zestiende-eeuwse historieschilderijen geldt dat hier de meeste exotische elementen vallen te ontdekken. Interessante voorbeelden zijn de schilderijen van Quinten Massijs en Jan Mostaert. Hierop zien we voorbeelden van kledingstukken en juwelen die Portugese en Spaanse handelsreizigers vanuit de koloniën mee naar Antwerpen brachten.

Met deze pronkstukken kwamen Massijs en Mostaert direct of indirect in aanraking omdat zij als schilders aan het Habsburgse hof waren verbonden. Het benadrukt nog maar eens de belangrijke rol die dit kosmopolitisch hof heeft gespeeld bij de verspreiding van exotische beeldelementen binnen de Nederlandse schilderkunst. Het legde de basis voor Rembrandt die een eeuw later in Amsterdam, dat inmiddels het stokje had overgenomen van Antwerpen als internationale handelsstad, kennismaakte met exotische culturen en zich hierdoor liet beïnvloeden in zijn werk. Daarmee was Rembrandt in bepaalde opzichten revolutionair maar hij was dus zeker niet de eerste Nederlandse schilder die het exotisme omarmde.

De gravure De Moorse Maaltijd (1536-1537) maakte Jan Cornelisz. Vermeyen op basis van zijn observaties in Tunesië. De kleding en karakteristieke gezichten van de Moren zijn zeer authentiek te noemen. Echter dat zij zoals weergegeven op deze gravure met blote voeten deelnamen aan de maaltijd is twijfelachtig. Dit was een gerucht dat in de tijd van Vermeyen aan het hof van Karel V de ronde deed. Eigentijdse documenten waarmee het verhaal valt te checken waren er toen en nu niet.
De gravure De Moorse Maaltijd (1536-1537) maakte Jan Cornelisz. Vermeyen op basis van zijn observaties die hij deed in Tunesië. De exotische kleding en karakteristieke gezichten van de Moren zijn authentiek te noemen. Echter dat zij zoals weergegeven op deze gravure met blote voeten deelnamen aan de maaltijd is bijzonder twijfelachtig. De schilder lijkt zich hiervoor te baseren op een gerucht dat in zijn tijd aan het hof van Karel V de ronde deed. Eigentijdse documenten waarmee het gerucht valt te checken waren er toen en nu niet. Zodoende is het onduidelijk of het hier gaat om een schildersfantasie.

Zie hier de complete paper over het kunsthistorische onderzoek naar exotische invloeden binnen de zestiende-eeuwse, Nederlandse historieschilderkunst:

‘De proto-örientaalse puzzel’- Jeroen Lesuis

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *