Havenbaron verpatste kunstcollectie aan nazi’s – nu loopt (opnieuw) een rechtszaak

Daniël George van Beuningen.

De geroemde kunstcollectie van Franz Koenigs wordt rond het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog opgesplitst, en onder meer aan de nazi’s verkocht. 75 jaar later moet de rechtbank uitmaken wie de rechtmatige eigenaar is.

De Duitser Franz W. Koenigs is een handige zakenman. Als na de Eerste Wereldoorlog Duitsland te maken krijgt met handelsbeperkingen met Frankrijk en Groot-Brittannië, richt hij met zijn neef Rhodius in Nederland de N.V. Rhodius Koenigs Handelmaatschappij op. Hij weet op die manier slim de barrières te ontlopen.

Franz Koenigs wordt de directeur van het Handelsbedrijf, dat vooral fungeert als bank: het verstrekt broodnodige kredieten aan de Duitse industrie. Het gaat de Duitser, die inmiddels in Haarlem is gaan wonen, voor de wind: het bedrijf loopt als een zonnetje.

Koenigs is niet alleen zakenman, hij is ook groot kunstliefhebber. Hij kan zijn hart ophalen in Nederland, het land van de Hollandse meesters. Halverwege de jaren 20 begint hij stukken te verzamelen, voornamelijk tekeningen van voornamelijk grote meesters: Rembrandt, Lucas van Leyden, Hendrick Avercamp. Ook tekeningen van Italiaanse renaissanceschilders als Leonardo da Vinci en Fra Bartolommeo komen in handen van Koenigs.

Een ets uit de collectie-Koenigs: Rembrandt, Portret van een man met een bontmuts
Een ets uit de collectie-Koenigs: Rembrandt, Portret van een man met een bontmuts

Beurskrach

De Koenigs-collectie bevat al snel duizenden tekeningen, en het Rotterdamse Museum Boymans is geïnteresseerd – het wil de collectie graag tentoonstellen. Zo geschiedde.

Maar daarvoor is Koenigs al in grote financiële problemen terecht gekomen: hij is een van de grote verliezers van de beurskrach in 1929. Zijn bedrijf dreigt failliet te gaan, en Koenigs zoekt zijn heil bij de Amsterdamse bank Lisser & Rosenkranz. Koenigs krijgt in 1935 een lening, en de kunstcollectie dient als onderpand. Het bedrag zou in vijf jaar moeten worden afbetaald.

Zo ver komt het niet. In 1939 wordt de dreiging van de nazi’s in Duitsland – na de Anschluss van Oostenrijk en de invasie in Polen – de Joodse bankier Siegfried Kramarsky te groot. Hij heeft de leiding over Lisser & Rosenkranz, en besluit al zijn bezittingen te verkopen en te vluchten naar de Verenigde Staten.

De lening van Koenigs is op dat moment nog niet afbetaald. De kunstcollectie, die is uitgeleend aan Museum Boymans, moet worden verkocht. Koenigs wil graag dat de collectie voor het museum behouden blijft, en Kramarsky wil daar best aan meewerken.

De havenbaron

Het museum roept de hulp in van Daniël George van Beuningen, de ‘havenbaron’ – hij is verreweg de grootste werkgever in de Rotterdamse haven, en eveneens kunstliefhebber. Het museum vraagt Van Beuningen de collectie te kopen, en die aan het museum te schenken. De havenbaron doet een bod op de collectie – hij heeft er een miljoen gulden voor over. De duizenden tekeningen zijn eigenlijk meer dan het viervoudige waard, maar ‘gegeven de omstandigheden’ is het volgens het museum ‘een meer dan goed’ bod, schreef NRC in de jaren 90 al.

Jaël doodt Sisera, Lucas van Leyden
Jaël doodt Sisera, Lucas van Leyden

De aandeelhouders van de bank, die in opdracht van Kramarsky de bank liquideren, hebben haast: Frankrijk en Engeland hebben nazi-Duitsland de oorlog verklaard, en Hitler is Denemarken al binnengevallen. Er wordt ingestemd met het bod van 1 miljoen gulden, waarvoor Van Beuningen naast de tekeningen ook nog eens een elftal schilderijen van onder meer Rubens en  Jeroen Bosch krijgt.

Koenigs is opgelucht dat zijn collectie in handen van het museum komt, en dat zijn naam aan de collectie wordt verbonden. Hij schenkt het museum nog eens twee zestiende-eeuwse tekeningen.

Maar Van Beuningen heeft andere plannen. Nog voordat hij de deal sluit met de Joodse bank, legt hij contact met de Duitse kunsthistoricus Hans Posse. Die is op dat moment in opdracht van Adolf Hitler bezig met de aanleg van een collectie voor het Führermuseum, dat in in het Oostenrijkse Linz moet komen te staan. Van Beuningen heeft een goed aanbod, hij heeft een enorme collectie tekeningen van Hollandse Meesters die hij wil verkopen.

Eind 1940 komen ze tot een deal: Posse koopt 528 tekeningen, ongeveer een kwart van de collectie, voor 1,5 miljoen gulden. Van Beuningen verkoopt een deel van de collectie dus voor de helft van de prijs die hij voor de hele verzameling had betaald.

Van Beuningen wil bovendien zijn eigen collectie uitbreiden. Hij kiest vier schilderijen van Rubens en meerdere promenente tekeningen uit de Koenigs-collectie. De rest schenkt hij aan het Boijmans – maar de havenbaron heeft dan al een half miljoen gulden winst gemaakt.

In handen van de Russen

Na de Tweede Wereldoorlog wordt de collectie nog verder versplinterd. De Russen krijgen een deel in handen. Een groot deel van de tekeningen komt in het Poesjkin Museum in Moskou terecht – daar zijn nog altijd zeker 307 tekeningen.

Winterlandschap met schaatsenrijders van Hendrick Avercamp
Winterlandschap met schaatsenrijders van Hendrick Avercamp

Ook het museum van het Oekraïense Kiev bemachtigd 139 tekeningen en drie prenten. In 2004 weet de toenmalige premier Jan-Peter Balkenende de Oekraïense autoriteiten te overtuigen die werken aan de Nederlandse staat terug te geven.

Naar de rechter

In de loop der jaren worden meerdere rechtszaken om de Koenigs-collectie gevoerd. Christine Koenigs, de kleindochter van, pleit dat het gaat om oorlogskunst, die is afgestaan onder druk van de Duitsers. Ze wil de 37 tekeningen en schilderijen terug van de Nederlandse staat. De Raad van State wees na lang procederen de claim in 2007 af.

NRC meldt afgelopen week dat vijf kleinkinderen en een achterkleinkind van Koenigs nu eisen dat Museum Boijmans Van Beuningen (de havenbaron werd na zijn overlijden in 1965 eveneens naamgever van het museum) de tekeningen die zij in bezit hebben, terug moet geven. Ook de gemeente Rotterdam wordt in het beklaagdenbankje gedaagd – de gemeente is eigenaar van het grootste deel van de museumcollectie.

Toch is de strijd om de collectie Koenigs nog niet voorbij. De (achter)kleinkinderen van Koenigs stellen dat de elf tekeningen en elf boeken nooit aan Van Beuningen zijn verkocht, maar dat het gaat om stukken die later in bruikleen zijn gegeven.

Museum Boijmans Van Beuningen stelt dat het bewijzen heeft dat de collectie wel van het museum is. De zaak dient woensdag voor het eerst.