De politionele acties door de ogen van mijn opa

Na het overlijden van zijn opa vond journalist Jeroen Lesuis op zolder een bijzonder fotoboek. Het was volgeplakt met foto’s van zijn opa als KNIL-militair op Indonesië. Opeens zag hij als kleinzoon de politionele acties door de ogen van zijn opa. Het leidde tot onderstaand verhaal over een jonge soldaat in Indonesië. 

271103212, dat was het nummer van Pieter van Buren als infanterist in het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (‘het KNIL’). Het lot had dat voor mijn opa zo bepaald. Onder het kabinet Schemerhorn-Drees vond een wijziging van de grondwet plaats waardoor voor de politionele acties de dienstplicht werd ingesteld. Mijn opa had op dat moment net de dienstplichtige leeftijd bereikt. Hierdoor werd hij van de ene op de andere dag van de boerderij geplukt om vervolgens als soldaat nummer 271103212 twee jaar door de rimboe te zwerven.

Mijn opa liep niet als soldaat in de jungle rond omdat hij de visie van de Nederlandse regering deelde. Ik heb mijn opa in ieder geval nooit horen zeggen dat Indonesië, dat zich op 15 augustus 1945 onder Soekarno onafhankelijk verklaarde, ten koste van alles als kolonie voor Nederland behouden moest blijven. Tegelijkertijd sprak mijn opa ook nooit over de politionele acties als een onrechtmatige aanval op de soevereine Republiek Indonesië. Nota bene in het jaar, 1946, dat iedereen de Tweede Wereldoorlog nog op haar netvlies had staan. De internationale gemeenschap, Amerika voorop, veroordeelde de politionele acties. Maar voor mijn opa lag het op het eerste gezicht heel simpel: hij was een soldaat in het KNIL en dus moest hij naar Indonesië om er zijn werk uit te voeren.

Kleurrijk of inktzwart?

Wat betekende het voor een KNIL-soldaat in Indonesië om zijn werk uit te voeren? Die vraag houdt mij als kleinzoon nu al een leven lang bezig. Het historisch onderzoek dat in de decennia na de politionele acties langzaam op gang kwam, heeft aangetoond hoe zeer de acties een inktzwarte bladzijde vormen in de Nederlandse geschiedenis. Tegenwoordig spreekt men dan ook niet van de politionele acties maar van de Nederlands-Indische oorlogen. In het deze juni verschenen boek De brandende kampongs van generaal Spoor stelt historicus Rémy Limpach dat het geweld structureel was en op grote schaal plaatsvond.

Het is een constatering die mijlenver afstaat van de verhalen over zijn tijd in Indonesië die mijn opa tegen mij als kind vertelde. Geen inktzwarte maar kleurrijke verhalen over hoe mijn opa metershoge palmbomen inklom om kokosnoten te plukken. Het enige gevaar vormden de slangen die soms in de bomen sliepen.

Een soort van tropisch paradijs, zo zag ik als kind het Indonesië voor me waar mijn opa was geweest. Maar niemand kan een kind blijven en met het verstrijken van de jaren bereikte mij de gruwelverhalen over Indonesië en was, om het beroemde gedicht van Milton te parafraseren, mijn paradijs voorgoed verdwenen.

63

De fotoboeken

Na het overlijden van mijn opa, nu anderhalf jaar geleden, vond ik op zolder zijn Indonesië-fotoboeken. In veel opzichten zijn deze twee boeken voor mij de belangrijkste nalatenschap van mijn opa. De 356 zwart-witfoto’s zeggen mij veel over wat mijn opa heeft meegemaakt in Indonesië. Het was al bijzonder om hem te horen vertellen over hoe hij zich met het kapmes een weg door de rimboe moest banen. Maar om mijn opa vervolgens op beeld terug te zien als jonge soldaat met het zweet op zijn voorhoofd, is nòg bijzonderder.

De zwart-witfoto’s maken de Indonesische verhalen en herinneringen van mijn opa voor mij als kleinzoon tastbaar. Niet alleen de mooie herinneringen maar ook van de donkergekleurde is op sommige foto’s een glimp te zien. Het was voor mij bijvoorbeeld confronterend om mijn opa opeens met een wapen in de handen te zien.

Niet alleen voor mij maar volgens mij voor iedere aanschouwer ervan, Nederlander of Indonesiër, zijn deze zwart-witfoto’s een directe confrontatie met de politionele acties. De foto’s tonen vanuit de ogen van de soldaat een inktzwarte bladzijde van de nationale geschiedenis waar we niet overheen mogen kijken. In het beeld zit zowel het persoonlijke van mijn opa als het universele verhaal van de KNIL-soldaat opgesloten.

Lang is er na de desastreus verlopen politionele acties – vijfduizend Nederlandse en naar schatting honderdvijftig duizend Indische militairen sneuvelden – uit schaamte of gekrenkte trots over de politionele acties gezwegen. Bij terugkomst werd mijn opa door sommige landgenoten met de nek aangekeken. Hij was soldaat geweest in een oorlog die Nederland nooit had mogen voeren en die bovendien werd verloren.

Historisch en juridisch onderzoek naar de politionele acties kwam de decennia erna pas traag op gang. Maar inmiddels zijn er verhalen boven komen drijven die stil staan bij de gruwelijkheden gepleegd tijdens de politionele acties. In naam van rechtvaardigheid voor de slachtoffers en om het kwaad een gezicht te geven is het cruciaal dat deze verhalen verteld worden.

Tegelijkertijd worstel ik als kleinzoon met de gruwelverhalen over de politionele acties. Met hun donkere aard werpen ze een schaduw over de acties destijds van de KNIL-soldaat. Naar mijn idee staat hij anno 2016 in een kwaad daglicht. Ook mijn opa dus, maar ik geloof dat dit onterecht is. Ieder verhaal kent twee kanten. De kant die ik nu wil tonen, is die van de KNIL-soldaat die ongevraagd naar Indonesië werd gestuurd.

Aan de hand van mijn opa zijn foto’s en verhalen hoop ik, in licht chronologische volgorde, te laten zien wat mijn opa en zijn kameraden in Indonesië hebben meegemaakt. Om de woorden van Multatuli te lenen: duizenden kilometers verwijderd van huis beleefden mijn opa en zijn makkers in het rijk van Insulinde een oorlog en het grootse avontuur uit hun levens, zonder dat zij hier ooit om hadden gevraagd.

De kameraden van het KNIL

1

Deze foto is waarschijnlijk genomen net na de afronding van de drie maanden militaire training die mijn opa en zijn bataljon ontvingen voordat ze naar Indonesië werden gestuurd. Op de achtergrond zie je de Snijderskazerne in Nijmegen. In dit militaire opleidingscentrum kwam mijn opa dus terecht, als enige uit zijn dorp. De andere dorpsjongens gingen naar de kazerne in Breda. Waarom hij ook niet daar heen werd gestuurd, is mijn opa nooit duidelijk geworden.

De strijdmakkers met wie hij uiteindelijk naar Indonesië ging, kwamen uit alle hoeken van het land. Op de bewaard gebleven appellijst staan plaatsen als Ermelo, Meppel, Tilburg en Scherpenzeel. Mijn opa zei dat er bij hem in de groep ook twee Friezen zaten. Dan klonk middenin in de jungle opeens het Fries als die twee met elkaar begonnen te praten. Niemand van de compagnie die er wat van verstond.

De oversteek met de Groote Beer

Nog nooit in zijn leven had mijn opa gevaren maar daar zat hij dan opeens: zes weken lang op zee. Zolang duurde de boottocht van Nederland naar Indonesië. Samen met duizenden andere soldaten stapte mijn opa in de Rotterdamse haven aan boord van de SS Groote Beer, speciaal aangekocht door Nederland van het Amerikaanse Ministerie van Defensie om te dienen als troepentransportenschip.

Na zes weken varen zetten de soldaten weer voet aan wal in Jakarta, dat door Nederland toen nog Batavia werd genoemd. Vanuit de hoofdstad werd een deel van de divisies verder verscheept naar de eilanden Borneo, Sumatra en Celebes. De compagnie van mijn opa belandde op dit laatste eiland.

De bootreis naar Indonesië ging via het Suezkanaal en dat was een van de dingen waar mijn opa me weleens wat over heeft verteld. Hij was namelijk erg onder de indruk van het 193 kilometer lange kanaal dat de Middellandse Zee met de Rode Zee verbindt. Waar mijn opa maar keek, overal zag hij boten. En dan vooral veel kleine handelsbootjes die als poetsvisjes gevaarlijk dicht naast de Groote Beer kwamen varen. Zie de foto van de handelaar die ogenschijnlijk makkelijk zijn evenwicht houdt terwijl hij in zijn roeiboot staat en een Perzisch ogend tapijt in de lucht houdt. Met voor mijn opa vreemde woorden zal hij zijn koopwaar hebben aangeprezen.

Een ander fascinerend detail was de slaapzaal. Hiervan heb ik helaas geen foto’s. Wel is er de anekdote die mijn opa me heeft verteld en die vorm krijgt in mijn fantasie. Met zijn honderden sliepen de soldaten in het benedendek van de Groote Beer. De stapelbedden waren zes hoog. IJzeren constructies die, zo stel ik me voor, gevaarlijk piepten en kraakten op het ritme van de golven. Honderden jongemannen die hier zes wekenlang op elkaars lip zaten en elkaars zweet, stank, gesnurk en geschreeuw moeten verduren. Het benedendek moet één grote apenkooi zijn geweest.

De patrouilles: berg op, berg af

Nederland is al geen land dat zich op bergen kan beroepen en het eiland waar mijn opa vandaan kwam, Voorne-Putten, is al helemaal zo plat als een pannenkoek. Als je dan vervolgens als soldaat op het eiland Celebes terechtkomt, waarvan het binnenland toch algauw een gemiddelde hoogte heeft van duizend meter boven de zeespiegel, dan moet de overgang voor mijn opa en zijn kameraden levensgroot zijn geweest.

En dan is het ook nog eens de bedoeling dat je als infanteriesoldaat deze weelderig begroeide bergen moet beklimmen. Om zo het overzicht te hebben en in kaart te kunnen brengen het vreemde eiland waarop je verzeild bent geraakt. Maar ook vanaf de berg kun je niet zien in welke bosjes de Indonesische vijand zich verbergt.

De sawa’s: een romantisch beeld ruw verstoord

Van de Indonesische sawa’s was mijn opa diep onder de indruk. Zowel van de kleine rijstakkers die via een ingenieus bewateringssysteem als traptreden op een berg konden worden aangelegd, als van de meer uitgestrekte, modderige rijstvelden beneden in de vallei. Van mijn opa begreep ik dat het ware beproeving was om op patrouille zo’n veld met miljoenen rijstplantjes te moeten doorkruisen, zeker in de moessontijd.

Als de moessonregen kwam – mijn opa beschreef het als een muur van water die opeens recht op je afkwam en waar het, eenmaal onder de regenwolk, nooit meer leek op te houden met regen – dan stonden de rijstakkers binnen een mum van tijd blank. De modder leek je legerlaarzen vervolgens wel op te vreten, zo drassig was de ondergrond geworden.

Maar een duister aspect bleef in de verhalen van mijn opa over de sawa’s, zo blijkt uit de foto’s, altijd onbelicht. Het is de tank op bovenstaande foto. Het ding is gigantisch en het schiet mijn romantisch beeld van de sawa aan diggelen.

De foto toont een waarheid die in mijn Indonesië-fantasieën nooit voorkwam. Ik zag altijd een boer voor me die op de sawa met een tak in de hand zijn os stond aan te sporen, terwijl mijn opa’s patrouille passeerde. Niet een tank die de akker op komt stormen en alle rijstplantjes aan gort rijdt. Een bepaald onbehagen bekroop mij dan ook toen ik deze foto voor het eerst zag. Je weet nooit wat de situatie was maar een tank die dwars door een rijstakker rijdt, voorspelt weinig goeds.

De Indonesiërs: vriend of vijand?

“Hij vond het altijd fantastisch om met kinderen te spelen, ook in Indonesië.” Die woorden over mijn opa heb ik van mijn moeder. Het moet een eigenaardig gezicht zijn geweest: een zwaarbewapende patrouille van KNIL-soldaten komt een dorpje binnen, en wat gebeurt er dan? Binnen de kortste keren speelt mijn opa tikkertje met de dorpskinderen.

Mijn opa was een soldaat, de vijand voor sommige dorpelingen misschien, maar tegelijkertijd ook een kindervriend. Daarbij kan ik me vanuit zijn perspectief ook goed voorstellen dat kinderspelletjes een manier zijn om te ontkomen aan alle spanning van de oorlog.

Maar tegelijkertijd bracht het bezoek van de militairen aan de dorpjes juist een zekere onderhuidse spanning met zich mee die typerend is voor de een guerrillaoorlog zoals de Indische oorlog dat was. In ieder van de bamboehuisjes konden vijandelijke soldaten van het Republikeinse Leger zich schuilhouden.

Of verstopte de vijand zich soms op een huwelijksfeest? Op 1 augustus 1949 arriveerde een KNIL-patrouille in het Indonesische dorpje Tjilatjap. Hier omsingelden zij een huis waar op dat moment een huwelijksfeest plaatsvond. Zonder aanwijzingen dat er vijandelijke militairen in het huis aanwezig waren, loste een Nederlandse militair door een misverstand een schot. Hierop begonnen ook andere militairen te schieten. Uiteindelijk kostte dit aan veertien mannen, elf vrouwen en een kind het leven. Het Drama van Tjilatjap is een van de meerdere, soortgelijke inktzwarte bladzijdes in de geschiedenis van het KNIL.

Als ‘de vijand’ je een banaan aanbiedt

Ook bij mijn opa moet de spanning, de nervositeit en de paranoia die de oorlog oproept soms in zijn kop hebben gezeten. Ik meen me te herinneren dat hij wel eens gezegd heeft dat hij als soldaat soms heel erg op de hoede moest zijn wanneer hij een dorpje betrad.

Maar vaker vertelde mijn opa me juist over de vriendelijkheid en gastvrijheid van de Indische bevolking. Over de dorpelingen die mijn opa met een grote grijns bananen aanboden.

Het is illustratief voor hoe complex en krom de politionele acties in elkaar staken. Want hoe kon mijn opa ooit over de Indonesische vijand spreken als deze eilandbewoners zo aardig voor hem waren? Mensen waarvan mijn opa duizenden kilometers vandaan opgroeide en waarvan hij nooit last had gehad.

Maar nu was mijn opa als negentienjarige met een wapen in zijn hand op hun eilanden terechtgekomen en moest hij de Indonesiërs als zijn vijand beschouwen. Maar wie was precies ‘de vijand’ als een onderworpen volk zich beriep op de onafhankelijkheid, daarbij staand in hun mensenrechten, maar slechts een klein deel hiervan bereid was er voor te doden?

Kon mijn opa op het gezicht van de glimlachende marktkoopman aflezen of hij samen heulde – hun sympathieën deelde hij waarschijnlijk sowieso – met de Indonesische onafhankelijkheidsstrijders? Een Indonesisch gezicht dat heel anders was getekend en veel meer fijnzinnige karakteristieken kende dan de uit grove, Hollandse klei geboetseerde koppen die mijn opa gewend was te zien? Het leek er sterk op dat mijn opa en zijn medesoldaten van het KNIL waren opgescheept met een onmogelijke taak.

Er is nog een ander teken waaruit ik opvat dat de Indonesische bevolking meer voor mijn opa moet zijn geweest dan slechts de vijand. Dat is dat hij een beperkt aantal woorden uit de taal van dit volk zijn leven lang vrij consequent is blijven gebruiken. Een banaan was voor hem bijvoorbeeld altijd een pisang. Mij leerde hij soms ook woordjes uit het dunne Maleisische woordenboekje dat samen met een psalmenboekje de lectuur vormde van zijn uitrusting als KNIL-soldaat . Ik zie een woordje als ‘ikan’ (Maleisisch voor ‘vis’) als teken dat mijn opa Indonesië nooit helemaal heeft verlaten en dat hij zich er, ondanks de oorlog, soms ook senang moet hebben gevoeld.

Dit is mijn lievelingsfoto: een onwaarschijnlijke ontmoeting tussen twee boerenzonen. Mijn opa, geboren op een boerderij in Oudenhoorn maar door het lot er duizenden kilometers vandaan verdreven, die als KNIL-soldaat zijn Indonesische evenknie tegenkomt.

Kaaskoppen versus ogen van amandel

Wat betreft de verstandhoudingen tussen het Nederlands leger en het Indonesische volk vind ik bovenstaande foto’s fascinerend. Op een van de foto’s zien we rechts van de weg volgens mij een Indonesisch gezin lopen dat bestaat uit drie oudere personen (vader, moeder en tante/ vriendin/ buurvrouw) en een dochter. Op enkele meters achter hen bevinden zich links van de weg drie KNIL-soldaten.

Er is een duidelijke afstand tussen beide groepen die je symbolisch zou kunnen noemen. De soldaten blijven op gepaste afstand van de Indonesiërs maar lijken wel heel schuchter een blik op het gezin te werpen. Het gezin daarentegen lijkt zich niets van de soldaten te willen aantrekken. De vier Indonesiërs kijken stoïcijns vooruit. Al moet natuurlijk niet worden uitgesloten dat zij niet doorhebben dat er soldaten achter hen lopen.

Maar dan is er een andere van de bovenstaande foto’s waar we een aantal Indonesische meisjes op een rij zien staan met daarnaast een KNIL-soldaat. Van enige ‘vijandelijke’ afstand tussen beide groepen is hier geen sprake. De twee meisjes links in het rijtje lijken te lachen om een grap die de soldaat heeft gemaakt. Humor is zo’n typisch menselijk fenomeen dat het de vijandelijke spanningen kan overstijgen. Al moet daar direct bij worden gezegd dat het meisje rechts in het rijtje niet kan lachen om de soldaat, maar misschien was het wel een hele slechte grap die hij vertelde.

Ook nieuwsgierigheid kan volgens mij de oorlogsspanning overschrijden. Voor beide partijen geldt waarschijnlijk dat zij elkaar nog maar kort kenden en niet meer van elkaar hadden kunnen verschillen. De Indonesische meisjes – uitgaande van hun jurkjes en jeugdig uiterlijk denk ik dat ze nog op de middelbare school zaten – komen voor het eerst in aanraking met die nuchtere kaaskop genaamd de Hollander.

Terwijl de KNIL-soldaat voor het eerst staart in het liefelijke gezichtje van de Indonesische met ogen zo bruin als amandelen en haren zo zwart als roet. En met een mond die scherper gekruid is dan de pittigste specerijen. Dit anders-zijn kan leiden tot xenofobische en vijandelijke reacties, maar het exotische element kan ook juist de interesse in elkaar opwekken. Een interesse die op bepaalde momenten zeker ook een broeierigheid moet hebben opgewekt anders dan die van de oorlog.

Eenmaal heb ik mijn opa voorzichtig, in een bijzin, horen spreken over de ongekende schoonheid van de Indonesische meisjes met hun tere armpjes. Zachtjes, zodat in de keuken mijn oma, die hij in Nederland na terugkomst ontmoette, het niet kon horen.

De Molukkers

31

In het KNIL dienden ook veel Indische militairen. Bekendste voorbeeld daarvan zijn de Molukkers. Zij vochten mee aan Nederlandse zijde omdat de Nederlandse regering de Molukse eilanden het recht van zelfbeschikking had beloofd. Onder Soekarno zou hier geen sprake van zijn. In de ogen van de nationalisten was  de Republiek Indonesië een eenheidsstaat waaronder ook de Molukken vielen.

De kansen op hun soevereiniteit waren voor de Molukkers verkeken toen Nederland  op 27 december 1949 de Republiek Indonesië erkende. Als reactie benoemden de Molukse eilanden zich op 25 april 1950 tot Republik Maluku Selatan (‘Republiek der Zuid-Molukken’). De Nederlandse overheid beschouwde dit, onder druk van Soekarno, niet als een revolutie maar als een opstand van Molukse rebellen. Op de Molukken werd dit oordeel ervaren als een dolk in de rug van haar voormalig wapenbroeder. Met militair geweld herstelde Soekarno datzelfde jaar nog zijn gezag op de Molukse eilandengroep.

Vriendschap in oorlogstijd

54

Deze foto roept een nogal dubbel gevoel bij me op dat lastig is om onder woorden te brengen. Wat je ziet zijn twee jongens die zich bevinden in een vreemd land ver verwijderd van de plek waar alleen de brief in mijn opa’s handen nog aan doet herinneren: thuis.

Het is het lot van de soldaat die op pad moet voor een oorlog die niet de zijne is. Niemand van de Griekse strijders had ook maar iets te maken met het liefdesleven van Helena totdat zij besloot vreemd te gaan met de Trojaanse prins Paris en de Grieken hierdoor genoodzaakt waren om naar het verre en vreemde Troje af te reizen.

Had mijn opa zelf mogen kiezen dan was hij waarschijnlijk nooit naar Indonesië gegaan in een poging de Nederlandse kolonie te behouden. Maar het lot van de soldaat is dat ergens boven hem, zij het door de generaal of door God(en), de oorlog voor hem wordt bepaald.

Maar als de soldaat dan eenmaal toch op pad wordt gestuurd, is het dan per definitie de ergste tijd uit zijn leven die hij tegemoet gaat? Een tijd waarvan hij had gewenst dat hij deze nooit had hoeven mee te maken? Het zijn deze vragen waarmee ik worstel omdat ik er geen eenduidig antwoord op kan geven en die mij daardoor tegelijkertijd fascineren. Vooropgesteld zijn de meeste handelingen die met een oorlog te maken te hebben krankzinnig, met het vermoorden van een medemens als grootste krankzinnigheid. Geen mens zou dit mogen overkomen, niet als slachtoffer en niet als dader.

Samen uit de stront klauteren

Toch is er iets dat alleen een oorlog kan voortbrengen: een ongeëvenaarde kameraadschap. Onbedoeld terechtgekomen in hetzelfde schuitje ben je in oorlogstijd volledig op elkaar aangewezen. Het is een onbeschrijfelijke hoop stront waar je samen middenin staat en waar je samen probeert uit te klauteren. Hierbij bungelt ieders levens aan het zijden draadje dat je samen krampachtig probeert vast te houden. Het is de grootste gebeurtenis in je leven en waar je na afloop met niemand anders over kan praten die het begrijpen behalve de kameraden die het net als jij hebben overleefd.

Je ziet het terug in films als Saving Private Ryan of Lord of the Rings, series als Band of Brothers en leest het in Hemingway-boeken als For Whom the Bell Tolls of A Farewell to Arms. Het zijn niet voor niets klassiekers. Behalve de gruwelijkheden zit er iets in deze oorlogsfilms dat niet afstoot maar juist inspireert. Volgens mij is dat de strijd die soldaten samen voeren tegen de gruwelijkheden waaraan het noodlot hen heeft blootgesteld.

Toch wil ik benadrukken dat mijn visie die is van iemand die godzijdank nooit zelf een oorlog heeft meegemaakt. Ik kijk er alleen naar, zo zou je cynisch kunnen opmerken, ter vermaak. De enige die echt zou kunnen zeggen over het ontstaan van kameraadschap tijdens de politionele acties was mijn opa. Helaas heb ik hem hier nooit naar gevraagd.

Ik kan wat dat betreft alleen speculeren en stellen dat ik op bovenstaande foto toch een duidelijke band meen te herkennen tussen mijn opa en zijn KNIL-kameraad. De manier waarop de soldaats linkerhand rust op mijn opa’s schouders terwijl die een brief leest, vind ik vertederend. Voor mij staat het symbool voor een vriendschap ontstaan tijdens een avontuur waarin beide jongens nooit hadden willen belanden.

Maar nu beleven ze het toch, het grootste avontuur uit hun leven, en ze beleven het samen. Een avontuur dat voor mijn opa op het relatief rustige Celebes heel anders was dan dat van de gedoemde zielen in de loopgraven van Verdun of op het slagveld van Stalingrad. Maar ook mijn opa en zijn strijdmakker hadden het ongeluk soldaat te zijn, het geluk was dat ze samen waren.

De eenzame kerstavond

De situatie van de soldaat in oorlogstijd roept dus een dubbel gevoel bij me op, maar wat betreft de situatie van mijn opa op het moment van bovenstaande foto is het gevoel driedubbel. De brief in mijn opa’s handen doet denken aan het meest tragische moment dat mijn opa heeft mee moeten maken in Indonesië. Het zal waarschijnlijk niet deze brief zijn geweest, maar er is één brief uit zijn Indische tijd waarvan mijn opa gewenst zou hebben dat hij die nooit had ontvangen. Het was de brief waarin stond dat mijn opa zijn vader op kerstavond was overleden bij een busongeluk.

Mijn opa moet die brief weken na het ongeluk hebben ontvangen. Het was in het eerste jaar dat hij op Indonesië zat. Zoals ik het begreep heeft hij toen permissie gevraagd om naar huis te keren om zijn familie bij te staan. Dit werd geweigerd. Een officier uit mijn opa’s regiment overkwam later hetzelfde en die mocht wel naar huis. Geen idee of het kwam door het verschil in rang maar het is wel verleidelijk om het hieraan te wijten. Mijn opa was maar een simpele soldaat. Pas twee jaar later kwam hij weer thuis. Zijn broers en zussen hadden ieder op hun manier het verdriet verwerkt terwijl mijn opa als soldaat nooit de kans is gegund om fatsoenlijk afscheid te nemen van zijn vader. Hij was een soldaat die te laat thuiskwam, net als Odysseus die (te) laat uit Troje terugkwam.

De vermoorde onschuld

58

Deze foto jaagt mij als kleinzoon het meeste schrik aan. Ik zie een soldaat die wel heel veel op mijn opa lijkt en die met zijn geweer in gevechtshouding zit gehurkt. Nu het lijkt me sterk dat het hier inderdaad om een gevecht gaat omdat de soldaat enkel zijn ondergoed draagt. Misschien is het een heldhaftige pose speciaal voor de fotograaf of geeft de foto een ochtendtraining weer.

Maar dat is niet waar het hier omdraait. Het gaat om het geweer dat mijn opa zo vastberaden in zijn handen heeft. Een voorwerp dat bedoeld is om andere mensen mee te verwonden of te doden. Dat is de hamvraag voor ieder kind of kleinkind van een soldaat: heeft mijn vader of grootvader in de oorlog iemand gedood?

Die vraag bevindt zich ergens zo diep in het hart en draagt zoveel gewicht met zich mee dat het bijzonder moeilijk is om deze vraag uit te spreken. Het antwoord betreft namelijk een waarheid die cruciaal is om te weten, maar misschien dat het juist beter is om deze waarheid niet te weten. Je weet namelijk niet of je met een eventuele gruwelijke waarheid kunt leven. Of mijn opa iemand heeft vermoord, dat heb ik hem nooit letterlijk gevraagd. Wel via omwegen.

Maar laat ik eerst uitleggen waarom ik mijn opa nooit letterlijk de vraag heb gesteld. Kansen heb ik daarvoor genoeg gehad aangezien ik het voorrecht had om zesentwintig jaar van mijn leven met mijn opa te mogen delen en ik hem in deze zesentwintig jaar minstens een keer per maand sprak. Mijn opa, oma, vader en moeder zijn degenen die mij hebben opgevoed en mij onvoorwaardelijk, door dik en dun hebben gesteund. Daarmee hebben zij mijn onvoorwaardelijk respect verdiend en ik vind het respectloos om iemand onomwonden te vragen of hij een moordenaar is.

Kokosnoten versus massa-executies

Natuurlijk kwam het onderwerp Indonesië soms aan bod als ik bij mijn opa was. Als kind ben ik opgegroeid met zijn verhalen over kokosnoten plukken en slangen die in de bomen sliepen. Word je ouder, dan bereikt de kille wereldgeschiedenis je en besef je dat er meer was in Indonesië dan kokosnoten en slapende slangen. Maar mijn opa bleef zijn verhalen herhalen en daarin kwamen de woorden ‘massa-executies’ en ‘structureel geweld’ niet in voor. Ik ben er altijd vanuit gegaan dat hij daarmee niets voor mij verzweeg.

Toch bleven er om de zoveel tijd horrorverhalen naar boven komen uit de beerput Indonesië. Het moet iets van twee jaar geleden geweest zijn toen zo’n verhaal van een vergeten executie in een Indonesisch dorpje op het journaal langskwam waar ik op dat moment samen met mijn opa naar keek. Toen ik heb mijn opa gevraagd, nog steeds heel indirect, of hij ooit in een dergelijke situatie terecht is gekomen. Hij zei van niet. Op het eiland waar hij zat, Celebes, was het rustig.

Deze woorden zijn deels te verifiëren. Mijn opa maakte deel uit van de Drietand-divisie en deze divisie had een deel van haar bataljons, waaronder dat van mijn opa, op Celebes zitten. Op dit eiland is veel minder gevochten in vergelijking met bijvoorbeeld op de eilanden Atjeh en Java. Er is wel de Zuid-Celebes-affaire (1946- 1947) waarbij veel Indonesische mannen zonder proces door KNIL-soldaten zijn geëxecuteerd, maar dat gebeurde nog voor de politionele acties waarvoor mijn opa werd opgeroepen.

Soms sust bovenstaande verificatie mijn geweten, maar aan de andere kant is hij ook overbodig. Ik kies ervoor mijn opa’s woorden, al verzet het ratio zich hier soms tegen, simpelweg op het hart te geloven. Te geloven omdat mijn opa juist degene is tegen wie ik opkeek en van wie ik zoveel wijze lessen heb meegekregen. Zijn motto heb ik de mijne gemaakt: “Een man een man, een woord een woord.” Deze uitspraak heeft nadrukkelijk betrekking op het menselijke geweten. Het geweten dat voor mij als graadmeter van het menselijk handelen de doorslag geeft. Ik heb mijn opa in vrede zien inslapen. Kan dat van een moordenaar gezegd worden? Er was geen geheim dat moest worden opgebiecht of smeekbede om vergeving, maar simpelweg zijn  heldere ogen waarin opeens de vlam uit verdween.

Luther stelde ooit dat het onzeker en gevaarlijk is voor een mens om tegen zijn eigen geweten te handelen. Het maakt het geweten tot het enige houvast in iemands leven en staat daarmee los van helder klinkende maar algemene en subjectieve begrippen als goed en kwaad. Ik denk niet dat mijn opa op de hoogte was van Luthers uitspraak, maar volgens mij heeft hij er wel naar geleefd.

Overigens werd de predikant Luther in 1521 door keizer Karel V op het matje geroepen wegens zijn kritiek op het katholieke geloof. Luther werd verteld dat hij zijn woorden terug moest nemen. Maar dat kon de predikant niet. Naar het schijnt zou het volgende hebben geroepen: ‘Hier sta ik, ik kan niet anders.’ Het doet me denken aan mijn opa die als boerenzoon met een geweer door de Indonesische jungle struinde. Hij kon niet anders. Bij hem was het zelfs geen vrije keuze.

‘De brandende kampongs van generaal Spoor’

Ik geloof niet dat mijn opa een moordenaar is geweest. Dit is een gek zinnetje om te typen. Ergens voel ik walging voor deze woorden, maar anderzijds zijn ze ook volledig surrealistisch want ze staan buiten de werkelijkheid. Alsof ik probeer een nachtmerrie te bezweren die ik nooit heb gedroomd. Niemand heeft ooit gezegd dat mijn opa een moordenaar is. Toch moet ik benadrukken dat ik geloof dat mijn opa geen moordenaar is. En ik schaam mij daarvoor want het is nu net alsof ik zelf twijfel zaai. Door het te moeten geloven verandert de onschuld van mijn opa van een vaststaand feit opeens in een wankel iets.

In iedere oorlog is de waarheid het eerste slachtoffer. Dat is precies waarom ik, als kleinzoon van mijn opa, de politionele acties vervloek. De strijd is allang gestreden maar nu decennia later regeert nog steeds de duisternis. Enerzijds omdat we nog steeds niet weten wat zich allemaal heeft afgespeeld op Indonesië destijds, anderzijds omdat de verhalen die de laatste jaren door historisch onderzoek naar bovenkomen gitzwart van karakter zijn. Als kleinzoon die gelooft in de onschuld van zijn opa ervaar ik het haast als een gevecht tegen de geschiedschrijving. Of misschien is worsteling met de geschiedschrijving een betere term.

Afgelopen juni verscheen De brandende kampongs van generaal Spoor van Rémy Limpach. Dit boek is gebaseerd op het al eerder verschenen proefschrift Limpach. Ik heb het proefschrift nooit gelezen (een publieke versie is onvindbaar), maar de kern ervan is wel al tot mij gekomen via publicaties in de media. Limpach stelt dat het geweld gebruikt door het KNIL in Indonesië structureel was en op grote schaal plaatsvond. Limpach heeft hierbij speciaal onderzoek gedaan naar onbelichte incidenten of incidenten die in de doofpot werden gedaan. Ook nieuw is dat Limpach de namen noemt van zowel slachtoffer als dader om het geweld een gezicht te geven.

Misschien dat ik ik binnenkort zelf Limpachs boek ga lezen, om eerlijk te zijn twijfel ik hier nog aan. Ik geloof in de woorden van mijn opa maar dat wil niet zeggen dat ik terwijl ik dit geloof, er geen angst bij mij bestaat dat zijn woorden ooit niet waar blijken te zijn. Die angst of onzekerheid is er wel degelijk en zal waarschijnlijk nooit helemaal weggaan. Waarschijnlijk komt dit, en dit verwijt ik mijzelf, omdat mijn opa en ik te weinig met elkaar over de donkere kant van de politionele acties hebben gepraat. Volgens mij had dit geholpen met het benoemen en daarmee verjagen van het Indonesië-spook dat nu dus nog altijd sluimert in mijn leven en wat onbewust waarschijnlijk een grote rol heeft gespeeld bij het schrijven van dit artikel. Maar dit is kennis van nu en ik weet niet of mijn opa ooit had kunnen bevroeden dat de politionele acties ook zo zouden doorwerken in het leven van zijn kleinzoon. Achteraf is het makkelijk praten of schrijven, mijn opa verwijt ik niets.

Full Metal Jacket Indonesia

Door hun grote, witte onderbroeken doen de soldaten op deze foto’s me denken aan de kadetten uit de film Full Metal Jacket. Deze Stanley Kubrick-film is een van de meest ongemakkelijke films die ik ken wanneer het gaat over het leven van de soldaat. Schrijnend is om te zien hoe een groep jongemannen iedere dag wordt afgebeuld door de meedogenloze drilsergeant Hartman, met de bedoeling de jongens om te vormen tot meedogenloze vechtmachines. Maar wat uiteindelijk in Vietnam arriveert is een zielig hoop mensje dat mentaal totaal is afgestompt en dat in geen enkel opzicht voorbereid is op de gruwelijkheden van de oorlog. Maar eenmaal aanbeland in deze hel zullen ze er toch aan moet geloven.

Nu wil ik bovenstaand scenario niet gelijkstellen aan de ervaringen van mijn opa en zijn makkers in Indonesië. Maar wat ik wel op deze foto zie, is een stel dollende jongens in te grote onderbroeken die poseren met hun geweren. Ook zij lijken allerminst klaar te zijn voor de oorlog, maar ze moeten er toch echt aan geloven.

Het donkere hart van het oerwoud 

Een van de meest beklemmende films die ik ken is Apocalypse Now, losjes gebaseerd op het boek Heart of Darkness (1899) van Joseph Conrad. In het kort gaat het verhaal over de ervaren kapitein Willard die met een groep Amerikaanse soldaten in de jungles van Cambodja en Vietnam op zoek moet naar de gedeserteerde kolonel Kurtz. Des te dieper de soldaten het oerwoud binnendringen des te meer de paranoia zich in hun brein lijkt te nestelen. Het dikke bladerendek boven hun hoofd houdt de zon voor hen verborgen en daarmee ontstaat voor de soldaten ook het gevoel afgesloten te zijn van de werkelijkheid. Met alle gevolgen van dien.

Nu wil ik niet zeggen dat mijn opa en zijn bataljon dezelfde krankzinnige ervaringen hebben opgedaan als Willard en co, maar als je onderstaande foto’s bestudeert ga je wel parallellen zien. Ik weet van mijn opa dat hij de rimboe ook als beklemmend heeft ervaren. Volgens hem was je zonder kapmes niets. En had je dan na uren hakken eindelijk een pad door de dichte begroeiing gekapt, dan was dit pad een paar dagen later op de terugweg alweer volledig dichtgegroeid. Dit maakte de kans op verdwalen in de rimboe erg groot.

Zelf heb ik mijn opa nooit bang gezien maar in de jungle moeten zijn angsten zich aan hem hebben geopenbaard. Vooral wanneer hij ’s nachts op wacht moest staan. Mijn opa heeft me een paar keer verteld dat hij dit behoorlijk zenuwslopend vond. Volgens hem was het nooit stil in het oerwoud. Vogels schreeuwden naar elkaar en takken kraakten onder het gewicht van rondslingerende apen. Een kakofonie van geluiden die een boerenzoon uit Oudenhoorn nog nooit eerder had gehoord. En misschien dat tussen al deze geluiden door ergens in de bosjes tien meter voor je heel even het ritselende geluid had geklonken van een guerrillastrijder. Het is precies deze gedachte die je gek kon maken wanneer je als soldaat in het pikkedonkere oerwoud op de wacht stond en dit nog een paar uur lang moest volhouden.

68

Deze foto doet me denken aan een heftig verhaal dat ik ken van mijn moeder. Tegen haar heeft mijn opa ooit gezegd dat er in één moment in Indonesië is geweest waarop hij dacht dood te gaan. Dat was toen hij met zijn kilo’s zware bepakking achterover viel in de rivier en naar de bodem zonk. De zon moet mijn opa slechts nog hebben gezien als een geel, rimpelig vlekje op het wateroppervlak boven hem, toen door dit oppervlak opeens een hand stak die mijn opa beetgreep en omhoog hees.

De rivier was misschien niet eens zo diep maar mijn opa moet zo moe zijn geweest door de dagmars dat hij zelf niet meer de kracht had om naar boven te zwemmen. Dat was namelijk wat je voornamelijk deed als KNIL-soldaat op Indonesië: lopen. Dagenlange patrouilles met kilo’s zware bepakking. Was je zoals mijn opa in de rivier gevallen dan zat er niets anders op dan de sokken uit te wringen en weer verder te gaan met lopen. Kilometers verder ontdekte mijn opa vervolgens dat zijn legerkisten zich rood kleurden. Door het marcheren in natte sokken waren zijn voeten begonnen met bloeden.

81

De KNIL-soldaten hadden niet alleen te vrezen voor guerrillastrijders verstopt in het struikgewas, maar ook voor de slangen die door het gras kropen, in de rivier zwommen of zelfs hoog in de boom sliepen. Door zijn forse lengte zou de slang op deze foto weleens een netpython kunnen zijn die o.a. op Celebes voorkomt. Deze slang is niet giftig, maar wurgt zijn prooi. Ook mensen zijn weleens ten prooi gevallen aan deze slang, al is dit een gering aantal.

De propaganda

77

Deze foto herbergt meerdere geheimen die zich niet bij de eerste oogopslag laten ontdekken. Ten eerste moet je even kijken voordat je ziet dat zich in de kloven van de rotswand soldaten bevinden. Ze lijken hier uit te rusten. Maar als je scherper kijkt, zie je dat een aantal soldaten hun geweer vasthoudt en in vechthouding gehurkt zit.

Toch is er van een gevechtssituatie geen sprake. In het water voor de rots bevindt zich een Indonesische jongen die duidelijk geen gevechtshouding aanneemt maar eerder in het water baadt of hier vist. En rechts zitten twee Indonesische (?) mannen die ook geen gevechtshouding aannemen maar eerder lijken te keuvelen.

Mijn theorie is dat een aantal van de soldaten hun geweren vast heeft om zo te poseren op commando van de fotograaf. Dit sluit aan bij mijn idee dat deze foto’s uit het album van mijn opa zijn gemaakt door een professioneel fotograaf of in ieder geval iemand die verstand van zaken had. De politionele acties werden op foto en film vastgelegd door het KNIL en de desbetreffende fotografen schroomden daarbij niet om het beeld te manipuleren zoals het de Nederlanders het beste uitkwam. Door bijvoorbeeld sterk in te zoomen op een plukje mensen in een verder verlaten straat leek het alsof een mensenmassa de paraderende KNIL-soldaten toejuichte.

De dood van generaal Spoor

In de kist ligt Simon Hendrik Spoor (1902-1949), generaal namens het KNIL in Nederlands-Indië. Tot aan zijn overlijden stond hij aan het hoofd van de politionele acties in Nederlands-Indië. Gezien zijn beperkte aantal dienstjaren kwam hij feitelijk nog niet in aanmerking voor deze positie. Maar hij viel op. Niet alleen zijn militaire capaciteiten, maar ook zijn politieke handigheid viel in de smaak bij de Nederlandse regering.

Daarnaast was Spoor geliefd bij zijn soldaten, althans, dat staat geschreven in het legerkrantje dat mijn opa heeft bewaard. Spoor wordt omschreven als een commandant die zich nadrukkelijk midden tussen zijn manschappen bevond, zie ook een van de bovenstaande foto’s. Ik meen me te herinneren dat mijn opa heeft verteld dat hij ook weleens met generaal Spoor heeft gesproken en dat hij het wel een aardige vent vond.

De dood van generaal Spoor was geen heroïsche. De manier waarop hij is gestorven is even tragisch als opmerkelijk. Geen vijandelijk vuur maar ernstige hartklachten, vijf dagen na een etentje in de jachtclub in Tanjung Priok ter viering van zijn bevordering tot generaal, velden Simon Spoor op 47-jarige leeftijd.

Het ruisen van de zee

De zee heeft vaak een kalmerende werking op de mens, waarbij het niet uitmaakt waar hij of zij zich op dat moment bevindt. De Indische Oceaan moet een andere kleur en andere golfslag hebben gehad dan de Noordzee, maar ik denk dat mijn opa ergens in het geruis van de golven iets herkend moet hebben dat hem geruststelde. Duizenden kilometers er vandaan was hier te midden van de chaos van de tropen toch nog iets dat deed denken aan thuis.

Terug naar Nederland!

Een koude thuiskomst voor de verliezers

105

Even veronderstelde ik dat deze foto die er los in lag niet thuishoorde in mijn opa zijn Indië-boek. Ik dacht namelijk dat het hier ging om een en of andere ceremonie van de Shell. Zowel voor als na zijn diensttijd heeft mijn opa een leven lang gewerkt bij deze oliereus. Op zijn veertiende begon hij als pompbediende bij de Shell  (mijn opa stopte voortijdig met zijn school), waarna hij vervolgens werd opgeroepen voor het KNIL.

Na de politionele acties keerde mijn opa terug als lasser bij Shell, om zich vervolgens op te werken tot medewerker op de planafdeling. Mijn opa kon voortijdig met pensioen want Shell was zo coulant om mijn opa’s tropenjaren in Indonesië mee te rekenen voor zijn dienstverband waardoor mijn opa op een pensioengerechtigde leeftijd uitkwam.

Maar je kunt het ook omdraaien en stellen dat het niet geheel onlogisch was dat administratief gezien mijn opa in Indonesië zowel voor het KNIL als voor Shell werkzaam was. De geschiedenis van beide organisaties is namelijk nauw met elkaar verweven. Nederland kreeg haar allereerste olieput toen men deze eind negentiende eeuw op Sumatra ontdekte. Het betekende de geboorte van de Koninklijke Nederlandse Petroleum Maatschappij (‘Koninklijke Olie’). Om de olie vanuit Indonesië naar Nederland te krijgen ging Koninklijke Olie een samenwerking aan met de Britse en in Indonesië gevestigde zeeschelpenhandelaar Shell Transport and Trading Company. Deze samenwerking leidde uiteindelijk tot het Brits-Nederlandse Shell zoals we dat nu kennen.

Het KNIL-leger komt in deze hele geschiedenis voor omdat zij de degene was die eind negentiende eeuw op meedogenloze wijze enorme stukken gebied op de Indonesiërs veroverde. Hierdoor kwam de olieput op Sumatra terecht in Nederlandse handen. De allereerste bron van Shells ongekende rijkdom maar dus oliegeld waar Indonesisch bloed aankleeft.

Maar om nu terug te komen op bovenstaande foto in mijn opa’s plakboek: naar alle waarschijnlijkheid moet het gaan om een thuiskomstceremonie voor de KNIL-soldaten. Een aantal gezichten van de jongens zijn te herkennen als de soldaten op de vorige foto’s, al moet je goed kijken. Waar op voorgaande foto’s hun kapsel verborgen ging onder de legerhelmen of alle kanten op piekte, hebben de jongens voor de ceremonie hun haren aan de schedel vastgeplakt met brylcreem en strak naar achteren gekamd. De niet bepaald modieuze legerpakken zijn verruild voor het strakke herenpak – de ex-soldaten zien er zowaar weer beschaafd uit. De twee oudere mannen in het midden van de groep voormalige KNIL’ers herken ik niet. Misschien dat dit oudere officieren of ambtenaren van het ministerie van Defensie.

Zoals ik uit mijn moeders verhalen begrijp, moet die ceremonie het enige zijn wat er vanuit de overheid voor mijn opa was geregeld. Na hun ontslag uit het KNIL werd de dienstplichtigen verstaan naar huis te gaan en de draad van het gewone leven weer op te pakken. Psychiatrische nazorg voor soldaten was er in die tijd nauwelijks. Volgens mijn moeder was mijn opa hier wel gebaat bij. Ze heeft dit ooit gehoord van haar moeder, mijn moeder was toen nog niet geboren, die zei dat mijn opa het die eerste jaren na Indonesië zwaar heeft gehad.

Twee jaar lang had hij in de rimboe rondgezworven en nu was hij opeens weer terug in een Nederland dat hij niet meer herkende. De wederopbouw die in volle gang was toen mijn opa op Indonesië zat, had het land onmiskenbaar veranderd. Daarnaast was dit Nederland voor mijn opa een land waarin hij het voortaan zonder zijn vader moest doen. Oorspronkelijk had mijn opa, net als veel van zijn KNIL-kameraden, het plan om na zijn diensttijd vanuit Indonesië naar Australië te emigreren. Maar door het overlijden van zijn vader en de daaropvolgende mentale inzinking van zijn moeder moest mijn opa wel terug naar huis om samen met zijn oudere broer voor zijn andere zeven zusjes en broertjes te zorgen.

Wel speldje, geen held

Behalve het veranderde land was er na thuiskomst ook nog eens de publieke opinie. Kortweg gezegd was het Nederlandse volk sterk verdeeld over de politionele acties. Tegenstanders stelden dat Nederland met de naoorlogse wederopbouw wel iets beter te doen had dan oorlogje spelen in de rimboe. Toen mijn opa terugkwam in Nederland leefde deze opvatting nog steeds. Sterker nog, deze was alleen maar sterker geworden door de desastreus verlopen politionele acties. Als hij door zijn dorp liep, had mijn opa het gevoel dat hij door sommigen met de nek werd aangekeken.

Ook de Nederlandse overheid trok na de Nederlands-Indische oorlog haar handen van het KNIL af. Op 27 december 1949 erkende de Nederlandse staat haar nederlaag officieel door haar soevereiniteit over te dragen aan de Republiek Indonesië. In 1950 hief de Nederlandse regering het KNIL op. Een aantal ex-soldaten van het KNIL is tot op dag van vandaag echter in gevecht met de Nederlandse staat in de rechtszaal. Zij eisen het salaris dat zij niet uitbetaald kregen toen zij krijgsgevangenen waren van de Indonesiërs. Dit maakt deel uit van een grotere rechtszaak waarbij ook ex-gedetineerden van de Jappenkampen een schadevergoeding eisen van de Nederlandse overheid.

Mijn opa ontving jaren na dato een speldje voor bewezen diensten, plus een uitnodiging voor de Nationale Veteranendag. Hij is er nooit heengegaan. Niet alleen omdat het te laat kwam maar ook omdat hij het onzinnig vond. Mijn opa voelde zich geen held toen hij terugkwam uit Indië en hij had ook niet de behoefte om zich zo te voelen. Maar dat is nog iets anders dan worden te behandeld als antiheld, als de verliezer van een oorlog waar niemand iets te maken mee wilde hebben.

KNIL-soldaat en een mens

Anno 2016 staan de politionele acties terecht in een kwaad daglicht. Al het zinloos geweld, het leed en de onrechtvaardigheid die zich heeft voltrokken in Indonesië had nooit mogen plaatsvinden. Maar het is helaas gebeurd en nu moet er onderzoek worden gedaan naar deze misstanden, moet erover worden bericht om het kwaad een gezicht te geven en moet uiteindelijk het recht worden gesproken dat zolang heeft gezwegen.

Maar in deze zoektocht naar rechtvaardigheid moet men ervoor waken zich te laten leiden door vals sentiment in plaats van feiten. Iedere KNIL-soldaat is onschuldig totdat het tegendeel is bewezen. Ook als historisch onderzoek als dat van Limpach uitwijst dat de soldaat werkzaam was binnen een systeem dat lijkt te hebben berust op structureel geweld. Het is mijn grootste angst dat deze constatering de onschuld van mijn opa zal overschaduwen. Dat ik mij als kleinzoon zou moeten schamen voor mijn opa. Dit gevoel hoop ik nooit van mijn leven mee te maken. Tegelijkertijd denk ik dat de angst hiervoor nooit helemaal kan verdwijnen.

Niemand zat op de politionele acties te wachten, mijn opa al helemaal niet, maar ze kwamen er toch en werken anno 2016 nog steeds door in vele levens. Voor mijn opa werd zijn tijd in Indonesië een avontuur dat hij nooit had gewenst.  Maar als dienstplichtige heb je het maar te slikken en moet je het beste ervan zien te maken. En hoe je het wendt of keert, uiteindelijk zijn de politionele acties het belangrijkste avontuur uit mijn opa zijn leven geweest. Het is niet voor niets dat hij al die tijd die fotoboeken van Indonesië had bewaard en dat die wat betreft aantallen foto’s het aantal in de overgebleven familiealbums minimaal evenaart.

De foto’s vertellen van die twee jaar tijd waarin mijn opa in de rimboe van een jongen veranderde in een man. Een man die ik altijd heb bewonderd. Het is de menselijke kant van de politionele acties waarvan ik hoop dat bovenstaande foto’s en korte verhalen die hebben getoond. Behalve KNIL-soldaat waren mijn opa en zijn makkers ook mensen. Het gegeven dat zij ongevraagd terechtkwamen in een op vele vlakken verschrikkelijke oorlog maakt niet iedere soldaat per definitie tot een verschrikking. Dit is althans mijn interpretatie van een nog steeds schimmige waarheid en deze interpretatie zal ik net zolang blijven verdedigen totdat het tegendeel is bewezen. Als kleinzoon is het immers de eer van mijn opa die gediend heeft in Indonesië waarvoor ik strijd.

106

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *